Lees hier het eerste hoofdstuk van Drägan Duma – Zij Die Hoort!

Proloog

Brödrehn, oh mí brödrehn.

Nania, mirs njat nalefta.

Ek ekô dí lest nalefta.

Fort älfinia on mí häerte.

Brödrehn, ek hôd dí lova.

 

Bloed tegen de autoruit…

Hoofdstuk 1

Regen. Natuurlijk regen. Ik zucht en zet, voordat ik de deur van de winkel op slot doe, mijn capuchon op. Ik loop naar het achterpad terwijl ik in mijn jaszak grabbel om mijn fietssleutel te pakken. Een plotselinge windvlaag blaast me uit koers. Storm. Tuurlijk.

Ik haal mijn fiets van het slot en bind mijn tas achterop. Die is bijna niet te tillen van de boeken. Dat is het enige voordeel van de kleine boekenwinkel waar ik een baantje heb: flinke korting op de boeken die ik daar koop.

Vandaag was een verschrikkelijk saaie dag waar geen eind aan leek te komen. Welgeteld drie klanten hebben het weer vandaag getrotseerd om naar de winkel te komen en maar twee hebben er daadwerkelijk iets gekocht. Ik ben doodmoe van de hele dag op mijn benen staan en het uitsoppen van het voorraadhok. Met moeite weet ik mijn fiets in beweging te krijgen. Ik moet op mijn trappers gaan staan om tegen de wind in te komen. Tegenwind. Logisch.

Gelukkig hoef ik niet zo ver. Het kraakpand waar ik sinds vijf en een halve week woon, ligt maar een paar huizenblokken verderop. Onder het fietsen vraag ik me af of een van mijn huisgenoten eraan gedacht heeft om een maaltijd te koken. Als het de beurt van Nina is dan komt het wel goed, maar die andere twee…

Ik hoop dat ik thuis gelijk aan kan schuiven, dan kan ik na het eten aan mijn nieuwe boek beginnen. Een fantasyboek dit keer. Ik ben gek op fantasyverhalen, vooral over draken. Maar als die even niet voorradig zijn, lees ik alles wat ik te pakken krijg. Lezen is namelijk een fantastische manier om even uit de werkelijkheid te ontsnappen, en zo rooskleurig is die werkelijkheid momenteel niet.

Sinds ik bij mijn laatste pleeggezin de benen heb genomen, woon ik in een kraakpand met drie andere tieners die ik nauwelijks ken. Mijn zogenaamde pleegbroer werd me iets te handtastelijk en mijn pleegouders lieten me duidelijk merken dat ze me liever kwijt dan rijk waren. Vanaf die tijd probeer ik me verborgen te houden voor de jeugdinstanties omdat ik het wel gezien heb met pleeggezinnen en gezinsvervangende tehuizen. Ik ga ook niet meer naar school omdat ik het geld van mijn baantje veel te hard nodig heb om in leven te blijven. Als ik toevallig een leerboek te pakken kan krijgen, dan leer ik daaruit. Meneer Bos, de eigenaar van de boekenwinkel, heb ik verteld dat ik thuis les krijg omdat het op school niet zo lekker liep. Eerlijk gezegd heb ik het idee dat hij daar zijn vraagtekens bij zet, maar ik ben lekker goedkoop, dus hij zegt er niets van. Na het overlijden van mijn moeder heb ik af en aan bij pleeggezinnen gewoond. Sommige waren te doen, andere verschrikkelijk. Bij het eerste gezin was het faliekant misgegaan. Die mensen hadden totaal geen idee wat ze met een meisje van twaalf in rouw, dat iedere nacht gillend wakker werd uit een nachtmerrie, aan moesten.

Het pleeggezin waar ik de fijnste herinneringen aan heb, was het tweede waar ze me plaatsten. Dit gezin bestond uit moeder Dana, vader Simon en een jongenstweeling van vijf die Tom en Ted heetten. De eerste weken praatte ik alleen als er iets aan me gevraagd werd. Ik sloot me op in mijn kamer en kwam alleen naar beneden voor het eten, of als ik naar school moest. Ze zijn heel geduldig met me geweest en vroegen nooit meer van me dan ik wilde geven. Op een dag kwam Tom met zijn teddybeer en leesboekje mijn kamer binnen en vroeg met een klein stemmetje of ik hem wilde voorlezen. Hij kroop bij me op schoot en stak zijn duim in zijn mond. Zodra ik begon te lezen, zag ik de krullenbol van zijn broertje om de deur verschijnen. Toen Ted zag dat ik zijn broertje aan het voorlezen was, klom hij ook op schoot. Zo zaten we gedrieën toen Simon zijn hoofd om de deur stak om te kijken waar de tweeling gebleven was. Hij glimlachte naar me en ik glimlachte terug.

Vanaf die dag ben ik echt in hun gezin opgenomen en voelde ik me bijna een heel jaar lang, voor het eerst sinds ik mijn moeder had verloren, gelukkig. Ik werd een dochter voor Dana en Simon en een grote zus voor de tweeling. Tot die fatale dinsdagavond.

Dana en Simon waren een dagje met de tweeling gaan zeilen terwijl ik thuis bleef omdat ik me een beetje grieperig voelde. Ik zat op de bank onder een deken een boek te lezen toen de bel ging. Op het moment dat ik de deur opendeed en daar twee agenten zag staan, werd ik helemaal koud vanbinnen. Ze kwamen het huis in en zetten me op de keukenstoel neer. De oudere agent deed zijn pet af en vertelde me dat het bootje was omgeslagen en mijn hele gezin te water was geraakt. Mensen van een boot in de buurt zijn te hulp geschoten, maar bleken te laat. De agent vertelde me dat er nog is geprobeerd te reanimeren, maar dat mijn gezin helaas verdronken is. De muren van de keuken begonnen om me heen te draaien en de jongere agent zei iets tegen me. Ik zag zijn lippen bewegen, maar hoorde de woorden niet. Er leek iets groots vast te zitten in mijn keel dat zich een weg naar buiten probeerde te banen door mijn mond. Ik stikte er bijna in. Plotseling gierde er een geluid als een sirene door de keuken. Het duurde even voordat ik besefte dat het geluid van mij afkomstig was. De oudere agent pakte mijn schouders beet om me te kalmeren. Dit bleek alleen maar averechts te werken, ik ging helemaal door het lint. Tegen de tijd dat de ambulance was gearriveerd en het verplegend personeel me een kalmerend middel kon toedienen, had ik de halve keuken in puin getrapt.

De begrafenis van mijn lieve pleeggezin heb ik, verdoofd door kalmeringsmiddelen, doorgebracht in het ziekenhuis. Dertien en een half jaar en weer alleen.

Plotseling krijgt een windvlaag vat op mijn fiets en ik schrik op uit mijn herinneringen. Ik kom naast het fietspad op het grind terecht en heb moeite om overeind te blijven. Op mijn tanden bijtend weet ik de fiets te corrigeren om weer op het fietspad te komen. Ik merk gelijk dat er iets mis is en stop om af te stappen. Lekke band. Uiteraard.

De capuchon waait van mijn hoofd en ijskoud regenwater sijpelt via mijn nek mijn jas in, waar het zich een weg zoekt langs mijn ruggengraat. Jakkes. Met mijn fiets aan de hand loop ik de laatste straat uit. Tegen de tijd dat ik de sloten van de deur heb opengemaakt en mijn fiets tegen de muur in de gang heb gekwakt, ben ik drijfnat en in een pesthumeur. Woest staar ik naar de lekke band, die moet ik niet vergeten te plakken vanavond. Ik vloek binnensmonds. Een rode haardos verschijnt om de hoek van de deur.

‘Wat sta jij te mopperen?’ vraagt Nina.

Ik loer vanonder mijn wenkbrauwen naar mijn huisgenote. ‘Heeft er iemand gedacht aan het avondeten?’

‘Euh … ik geloof dat het Jacco’s beurt is, dus waarschijnlijk niet.’

Dat was te verwachten.

‘Ik smeer wel een boterham, want ik sterf van de honger.’

‘Niet zo’n beste dag vandaag?’ vraagt Nina, terwijl ze met me meeloopt naar de keuken. Ik grom naar haar en pak het brood van de plank. ‘Oké, ik hoor het al. Weer zo’n dag, hè?’

Ik zeg niets, omdat ik van mezelf geen stomme vragen hoef te beantwoorden, en ga verder met het smeren van mijn avondeten. Achter mij hoor ik Nina zuchten.

‘Weet je, Jill, je zou af en toe best kunnen proberen om wat vriendelijker met mensen om te gaan. We zijn niet allemaal slecht.’

‘Nee, maar de meesten wel’, mompel ik met volle mond terwijl ik aan mijn laatste drie pleeggezinnen denk.

Stuk voor stuk wandelende rampenplannen. Pleegvader met losse handjes, dronken pleegmoeder en natuurlijk de ultra verleidelijke pleegbroers. Brrrr!

Geërgerd schudt Nina haar rode krullen en doet haar mond open om me tegen te spreken als ze onderbroken wordt door Jacco die de keuken binnenstormt. ‘Oh, sorry, Jill! Helemaal vergeten! Ik was in slaap gevallen op de bank! Het spijt me! Vergeef je me?’

Jacco’s grote, bruine ogen kijken me smekend aan terwijl ik me afvraag waarom die jongen toch altijd in uitroeptekens moet spreken. Alsof alles wat hij zegt van levensbelang is en hij je vooral op de hoogte wil stellen van de ernst van de situatie. Nina rolt met haar ogen en neemt vervolgens dezelfde smekende houding aan als Jacco. Daar moet ik om lachen en Jacco’s gezicht klaart op. ‘Ik zal de rest van de week jouw kookdiensten overnemen, Jill! Oké?’

‘Ja ja, het is al goed’, wuif ik hem weg.

Nina glimlacht naar me. Ach, denk ik, het is geen vervelend stel. Tenminste, zolang je…

‘Wat is dat voor een lawaai? Ik probeer me ergens op te concentreren!’

… Virola er buiten houdt.

Virola en ik hebben vanaf het begin af aan een hekel aan elkaar. Zij was er dan ook fel op tegen toen Nina voorstelde dat ik bij hen kwam wonen. Maar Jacco vond het goed, dus was het twee tegen één.

Jacco draait zich om naar het forse meisje en begint als een bezetene te ratelen: ‘Nou, ik had vandaag kookdienst! Helemaal vergeten, eerlijk waar! En nu…’

‘Ja, houd maar op, ik heb het alweer gehoord. Gaat nergens over dus’, snoert Virola hem de mond. Vervolgens draait ze zich naar mij. Ik zie aan haar gezicht dat ze probeert een kwetsende uitspraak te verzinnen voor mijn verzopen kattenlook. Snel prop ik het laatste stuk brood in mijn mond, gris een flesje frisdrank van het aanrecht en maak dat ik naar boven kom.

Sinds ik hier ben ingetrokken is het tussen Virola en mij nooit echt soepel verlopen, maar de laatste dagen is ze continu op oorlogspad. Omdat ik niet zo sterk ben met kwetsende opmerkingen als zij, laat staan dat ik fysiek tegen haar op kan, lijkt het me beter dat we elkaar zoveel mogelijk proberen te ontlopen. Wat er feitelijk op neerkomt dat ik me uit de voeten maak zodra zij een kamer binnenkomt.

Boven aangekomen, duw ik mijn kamerdeur open en laat mijn tas van mijn schouder op mijn bed glijden. Hoewel “bed” misschien een te luxe woord is voor mijn matras met gaten en oude deken. Ik trek mijn natte kleren uit en hang ze te drogen over de lijn die daarvoor door mijn kamer gespannen is. Uit mijn weekendtas haal ik een droog T-shirt en een droge trainingsbroek om aan te trekken en ga vervolgens op mijn bed zitten om mijn rugtas open te ritsen. Gelukkig zijn de boeken droog gebleven. Ik pak het boek dat ik heb uitgekozen om te lezen en draai de dop van het flesje fris. Heerlijk zo’n nieuw boek, ruikt ook altijd zo lekker. Genietend kruip ik wat verder onder de deken en begin te lezen. Mooi, het begint gelijk lekker spannend. Als ik even pauzeer om grote slokken uit het flesje te drinken, dwalen mijn gedachten af zoals ze al duizenden keren zijn afgedwaald. Waar is mijn vader? Leeft hij nog? Weet hij dat ik besta? En als hij dat weet, waarom is hij me dan nooit komen halen na mijn moeders dood? Mijn moeder heeft het nooit over hem gehad, wilde niet over hem praten toen ik klein was. Ze zei altijd dat ze me over mijn vader zou vertellen als ik oud genoeg was, zestien of zo. Maar het is er nooit van gekomen. Morgen word ik zestien en mijn moeder is al bijna vier jaar dood.

Ik verslik me in mijn frisdrank. Morgen word ik zestien! Ik ga rechtop zitten en doe mijn best om alle vloeistof uit mijn longen te hoesten terwijl ik mijn nieuwe boek onder sproei. Het zal ook eens niet.

Hijgend zuig ik zuurstof naar binnen en probeer zo goed en zo kwaad als het gaat de gemorste frisdrank van mijn boek te vegen. Morgen word ik zestien. Normaal gesproken een leeftijd om uitbundig te vieren. Met je hele familie, heb ik niet. Met veel cadeautjes, krijg ik niet. Of een groot feest met vrienden, zit er ook niet in.

Ik begin een beetje moe te worden van alle negatieve gedachten die door mijn hoofd schieten en veeg de tranen uit mijn ogen. Tranen van de hoestbui uiteraard. Met een diepe zucht sla ik mijn boek weer open en begin verder te lezen, maar het kost me moeite me op het verhaal te concentreren. Ik probeer me te laten meeslepen, maar de woorden en zinnen dansen een beetje voor mijn ogen. Beneden hoor ik Nina lachen om iets wat Jacco zegt en ik bedenk ineens dat ze niet weten dat ik morgen jarig ben. Hoeven ze ook niet te weten, ik ben toch niet van plan om er iets aan te doen. Ik wil mijn huisgenoten liever niet te dicht bij me laten komen omdat het lijkt alsof iedereen van wie ik houd spontaan dood neervalt. Het is beter om op een afstand te blijven, veel beter. Ik merk dat ik uit het raam staar in plaats van in mijn boek en wil net opnieuw een poging wagen om weer te gaan lezen, als ik vanuit mijn ooghoek iets aan de overkant op het weiland zie bewegen. Als ik mijn aandacht op het weiland richt, sper ik mijn ogen wijd open en maak een soort piepend geluid van schrik. Op het weiland aan de overkant van ons kraakpand zie ik een grote gestalte opdoemen, die een paar meter boven de grond lijkt te zweven. Is dat een draak?

Als ik met mijn ogen knipper, is de gestalte verdwenen, samen met mijn gezonde verstand, ben ik bang. Verbijsterd blijf ik uit het raam turen. De regen valt nog steeds gestaag en de takken van de wilg naast ons huis zwaaien woest heen en weer. Mijn ademhaling gaat gejaagd door de schrik en er staat kippenvel op mijn armen. Met moeite wend ik mijn blik van het raam af en mijn oog valt op het coverplaatje van mijn boek. Een draak. Vuurspuwend en al op de voorkant van mijn boek. Een draak. Een mythisch wezen, een fabeldier. Een draak. Dat niet bestaat, dat natuurlijk niet bestaat. Komt vast door al die fantasyverhalen die ik altijd lees. En door mijn gedagdroom. Voorzichtig gluur ik door mijn wimpers naar het weiland. Leeg. Natuurlijk.

Ik probeer me weer te concentreren op mijn boek, maar mijn ogen blijven naar het raam afdwalen waar de regen nog steeds met vlagen tegenaan slaat. Ik merk hoe mijn gedachten weer langzaam teruggaan in de tijd.

Op de begrafenis van mijn moeder kwam de regen ook met bakken uit de hemel. Ik stond daar verkleumd en verdrietig naast het graf onder de grote paraplu die een vrouw van de kinderbescherming, die zich had voorgesteld als Helen, aan mij had gegeven. Behalve Helen, de begrafenisondernemer en ik waren er verder geen mensen aanwezig. Ik voelde me zo ontzettend alleen. Helen had me net uitgelegd dat ik, omdat mijn vader spoorloos is sinds mijn geboorte en ik geen andere familieleden heb, zou worden geplaatst in een opvanghuis totdat ze een pleeggezin voor me zouden vinden. Ik beet op mijn lip terwijl de tranen over mijn wangen stroomden. Twaalf jaar was ik en helemaal alleen op de wereld.

Nu ben ik bijna zestien en nog steeds alleen op de wereld. Ik schud mijn hoofd en knipper met mijn ogen, totdat het beeld van de begraafplaats oplost en ik merk dat ik nog steeds uit het raam naar het weiland staar. Mijn handen zoeken naar het medaillon dat ik altijd om mijn nek draag. Het was van mijn moeder, een cadeautje van mijn vader, maar het kan niet open.

Afwezig streel ik met mijn vingers over het teken aan de voorkant dat een beetje lijkt op een ouderwets wapenschild. Vreemd eigenlijk dat ik mijn moeder nooit heb gevraagd wat het voorstelt. Ik neem nog een slok fris en richt mijn aandacht weer op mijn boek.

Mijn wekker begint te tetteren. Ik schrik me een ongeluk en mijn boek valt met een klap op de grond als ik rechtop ga zitten om mijn wekker uit te zetten. Als vanzelf dwaalt mijn blik af naar buiten. Het weiland ligt er in de ochtendmist verlaten bij. Ik grinnik om het feit dat ik er gisteren een moment van overtuigd ben geweest dat er een draak boven het weiland hing. Het regent in ieder geval niet meer en de storm lijkt ook te zijn gaan liggen.

Ik gooi een plens koud water in mijn gezicht en kleed me snel aan. Terwijl ik mijn lange, bruine haar met één hand borstel en met de andere mijn tanden poets, werp ik een blik op de spiegel. Ik wilde dat ik dat niet had gedaan. Dit is niet een van mijn beste dagen qua looks. Donkere schaduwen tekenen zich af onder mijn grijze ogen en mijn gezicht is bleek van vermoeidheid. Te weinig geslapen vannacht. Stomme dagdromen en herinneringen. Ik gooi mijn rugtas over mijn schouder en loop de trap af om te gaan ontbijten.

In de keuken bots ik tegen Virola op. Ik zet mezelf schrap om niet te vallen maar tot mijn verbazing blijf ik staan terwijl zij hard tegen de koelkast aankomt. Verbluft kijk ik haar aan waarbij zij net zo verbaasd terugkijkt. Virola is minstens een kop groter dan ik en heel wat steviger gebouwd. De vorige keren dat ik tegen haar aan ben gebotst, wat helaas nogal vaak voorkomt doordat ik altijd loop te dagdromen en zij zich te goed voelt om ook maar met iemand rekening te houden, was ík altijd degene die op de vloer belandde. Ze doet haar mond open om waarschijnlijk iets tegen me te snauwen, aangezien dat haar normale manier van praten is tegen mij, maar loopt dan zonder iets te zeggen met neergeslagen ogen langs me heen. Neergeslagen ogen? Wat krijgen we nou?

Ik sta nog steeds aarzelend in de deuropening van de keuken als Jacco zich langs me heen wurmt. ‘Morgen, Jill!’ roept hij uitgelaten. Hij pakt een pak appelsap en verdwijnt naar de woonkamer terwijl ik nog steeds in de deuropening sta.

‘Wat sta jij daar nou verdwaasd?’ vraagt Nina als ze de trap af komt. Ze slaat een hand voor haar mond om een gaap te onderdrukken en kijkt me vragend aan. Ik stamel een “goedemorgen” en trek de koelkast open om er een pak melk uit te halen. Nina zet water op om thee te maken en babbelt vrolijk over een of andere knul die bij haar in de supermarkt werkt. Ik doe alsof ik luister terwijl ik grote slokken melk naar binnen giet en met mijn andere hand probeer sneetjes brood uit de zak te vissen. Jacco komt de keuken weer binnen geslenterd. De voordeur geeft met een klap aan dat Virola is vertrokken.

‘Wat heb jij met Virola gedaan?’ vraagt Jacco op het moment dat hij een boterham pakt die ik net heb staan smeren.

‘Niets’, zeg ik, met een boze blik waar hij totaal niet van onder de indruk is. ‘We botsten tegen elkaar op toen ik de keuken binnenkwam.’

Jacco trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Dat vertelde ze, ja. Ze zei dat ze een elektrische schok van je kreeg.’

Zijn hand glijdt weer naar mijn bord en ik geef er een tik op.

‘Dat zal statische elektriciteit zijn geweest’, mengt Nina zich in het gesprek.

Jacco kijkt me nadenkend aan. ‘Ja, dat zal het wel geweest zijn’, zegt hij en zijn ogen dwalen af naar mijn stapel boterhammen.

Lachend steek ik hem er één toe en zeg: ‘Hier, neem maar, hongerlijder.’ Als beloning krijg ik een grote glimlach van hem waarna hij de boterhammen naar binnen begint te proppen. Ik heb moeite om hem iets te weigeren omdat hij dezelfde grote, bruine ogen heeft als mijn tweeling.

‘Nou, ik moet ervandoor!’ roept Nina nadat ze haar laatste slok thee heeft opgedronken. ‘Vergeet niet om op tijd thuis te zijn, jullie twee, want ik kook vanavond!’ En met een zwaai van haar rode haar is ze verdwenen. Ik prop mijn klaargemaakte lunchpakket in mijn tas en wuif even naar Jacco voordat ik de deur achter me dichttrek.

Op hetzelfde moment dat ik me herinner dat het vandaag mijn verjaardag is, zie ik mijn lekke band. De lekke band die ik gisteravond had moeten plakken en ik straal ben vergeten tot dit moment. Uiteraard.

Ik leun verveeld met mijn armen op de toonbank van de winkel en vouw mijn handen onder mijn kin. Niets te doen in de winkel. Alweer.

Vanochtend heb ik de voorraad gecheckt, de winkel aangeveegd en alle rijen boeken rechtgezet. Nu heb ik niets anders te doen dan met mijn ogen een vlieg te volgen die zachtjes zoemend om de lamp heen vliegt. Het zou wel leuk zijn als ik ten minste één klant zou hebben vandaag. Eigenlijk mag ik niet zeuren, want ik heb echt mazzel dat ik dit baantje heb kunnen krijgen. Lekker dichtbij huis en een baas die nooit op mijn vingers kijkt of lastige vragen stelt, zoals: moet jij niet op school zitten en zo. Bovendien betaalt het ook niet slecht.

De bel bij de voordeur geeft aan dat er iemand de winkel binnenkomt. Niet te geloven.

Een jongeman van een jaar of twintig kijkt om zich heen tot hij mij achter de toonbank ziet staan en komt dan breed lachend op me afgelopen. Ik glimlach beleefd terug en vraag of ik hem kan helpen.

‘Misschien wel. Ik zoek een cadeautje voor iemand die net zestien is geworden.’

Even voel ik mijn gezicht betrekken, maar ik herstel me snel door te vragen of het voor een meisje of een jongen is en van welk genre de jarige houdt. De man kijkt me even nadenkend aan voordat hij antwoord geeft. ‘Het is voor een jongedame en ik heb werkelijk geen flauw idee van wat voor soort boeken ze houdt, misschien iets met draken?’ Tuurlijk.

Ik zeg dat ik even voor hem zal kijken wat we hebben en vraag me ondertussen af of het meisje voor wie hij een boek wil kopen zijn vriendin is of een nichtje of zo.

Ik loop naar een stelling met boeken achter in de zaak en laat mijn ogen langs de titels glijden. Daar is het boek dat ik zoek. Ik steek mijn hand uit, maar aarzel dan. Eigenlijk wil ik dit boek zelf hebben en we hebben er maar één van in de zaak. Ik denk aan de opgewekte man met zijn vriendelijke ogen die de moeite neemt om naar een afgelegen boekenzaak te rijden om een cadeautje voor zijn zusje of zo te kopen. Mijn hand pakt het boek en ik draai me om.

‘Oh!’ stoot ik uit en laat het boek van schrik bijna uit mijn handen vallen. Op de een of andere manier is mijn klant geruisloos achter me komen staan en ben ik bijna tegen hem opgebotst.

‘Sorry, ik wilde je niet laten schrikken’, zegt hij. ‘Ik ben alleen verschrikkelijk nieuwsgierig wat je hebt uitgezocht.’ Hij glimlacht weer naar me en ik lach terug.

‘Ik denk dat ze dit boek wel gaaf zal vinden. Het heeft alles wat een goed fantasyboek moet hebben.’

Hij gaat gelijk akkoord met mijn keuze en ik loop terug naar de toonbank om het boek voor hem in te pakken. Tijdens het inpakken voel ik dat zijn ogen op mij zijn gericht en ik begin het een beetje warm te krijgen. Wat is er met me aan de hand? Hij is ten eerste te oud voor mij, ten tweede niet mijn type, en ten derde vind ik verliefdheid zonde van de tijd. Ik tuur tussen mijn wimpers door naar zijn gezicht en zie dat hij me geconcentreerd aan staat te staren. Verward richt ik mijn ogen weer op het paarse cadeaupapier en plak het laatste stuk op zijn plaats. Ik reken het boek af en de man bedankt me hartelijk. Bij de deur werpt hij me nog een glimlach toe en vertrekt. Nou, dat was in ieder geval één klant vandaag.

Om vijf uur draai ik het bordje op de voordeur van “open” naar “gesloten” en loop naar de kast om de bezem te pakken. Na de jongeman die een cadeautje kwam kopen heb ik nog acht klanten gehad. Je kunt wel zeggen dat het storm heeft gelopen in de winkel vandaag. Ik veeg de winkel aan, tel de kassa en controleer de bonnetjes. Om tien over half zes trek ik de deur van de winkel achter me dicht en sluit af. De schemering is al aardig gevorderd en er staat opnieuw een gure wind. Bah, nou moet ik helemaal naar huis lopen. Ik neem me voor om na het eten gelijk mijn band te plakken. Bij de gedachte aan het eten klaart mijn humeur een beetje op. Dat is waar ook! Nina kookt vandaag. Als Nina kookt, weten we dat we in ieder geval iets voedzaams en warms naar binnen krijgen. Zij is de enige van ons die echt kan koken. Virola neemt meestal de moeite niet om iets te koken en dan wordt het afhaaleten of brood. Jacco “vergeet” meestal dat het zijn beurt is, dus wordt het afhaaleten of brood. En ik? Ach ja, ik kan een ei bakken en soep koken lukt ook nog wel, maar iets ingewikkelders laat ik meestal aanbranden, of erger, en dan wordt het afhaaleten of brood.

Het is dus maar goed dat het Nina’s beurt is. Ik kan wel wat voedzaams gebruiken. En wat warms ook, bedenk ik terwijl ik mijn jas wat steviger om me heentrek. Plotseling hoor ik voetstappen achter me en draai me geschrokken om. De straat is leeg. Vreemd. Ik zou toch zweren dat ik net iemand vlak achter me hoorde lopen. Met samengeknepen ogen tuur ik door de lege straat. Niemand. Ik verman me en zet er weer stevig de pas in, af en toe een blik over mijn schouder werpend. Ik slaak een kreetje van opluchting als ik mijn voordeur kan zien en moet mezelf inhouden om niet te gaan rennen.

Als ik met mijn sleutel sta te hannesen hoor ik een laag gebrom. Ik laat mijn sleutels vallen en kijk geschrokken om me heen. Niets. Snel raap ik mijn sleutels op en ram ze in het slot. Nadat ik nog een blik over mijn schouder heb geworpen, tuimel ik bijna de gang in. Ik gooi de deur achter me dicht en blijf even staan om mijn ademhaling onder controle te krijgen.

Langzaam dringen er heerlijke etensgeuren mijn neus in en ik besluit die achterna te gaan. In de keuken staat Nina in een pan te roeren.

‘Hé, Jill, kan jij even vier borden voor me pakken?’

Ik pak de borden voor haar en werp een blik in de pan. Stoofschotel. Heerlijk.

Na het eten kijken we met zijn vieren naar een film die Jacco van een vriend heeft geleend. Het is een thriller waarbij een meisje een moordenaar met een bijl achter zich aan krijgt. Niet mijn soort film, maar de anderen lijken ervan te genieten.

Ik moet moeite doen om een geërgerde zucht binnen te houden wanneer de hoofdrolspeelster een stuk hout in handen krijgt. Na haar belager een klap te hebben verkocht, laat ze het wapen vallen en rent gillend weg, waarna de moordenaar zijn achtervolging kan voortzetten. Natuurlijk. Snapt die muts dan niet dat je door moet rammen totdat degene die je probeert te vermoorden daar niet meer toe in staat is? Blijkbaar niet. Ik kijk naar mijn huisgenoten. Nina en Jacco zitten tegen elkaar aangekropen op onze aftandse tweepersoonsbank en eten samen een bak chips leeg. Ik moet glimlachen als Nina achter Jacco wegduikt en over zijn schouder naar de tv gluurt. Virola zit in de oude leunstoel die we vorige week bij het grofvuil vandaan hebben gesleept. Ze lijkt de film maar matig interessant te vinden en kijkt geërgerd op van het vijlen van haar nagels als Nina een gilletje slaakt. Ik maak een rol koekjes open en knabbel er op één terwijl op het scherm een bloedbad wordt aangericht.

Mijn gedachten dwalen af naar vanmiddag. Ik ben benieuwd wat het vriendinnetje van die jongen uit de winkel van het boek vindt. Jammer dat ik het nu zelf niet kan lezen, maar misschien kan ik meneer Bos overhalen om nog een exemplaar te bestellen. Ik stop nog een koekje in mijn mond en kijk hoe de aftiteling over het scherm rolt.

‘Zo, dat was nog eens een topper, vinden jullie ook niet!’ Jacco grijnst naar me en ik grijns terug.

‘Ik vond er niets aan, veel te eng’, klaagt Nina. ‘Je weet dat ik niet van enge films houd, Jacco. Nou doe ik vast geen oog dicht vannacht.’

Jacco rolt met zijn ogen naar mij terwijl Virola “trusten” zegt en naar haar slaapkamer verdwijnt. Ik grinnik en Nina pakt een kussen van de bank om naar Jacco te gooien. We ruimen met zijn drieën de glazen, chips en koekjes op. Nina kreunt als ze de koelkast opendoet om de frisdrank weg te zetten. ‘We moeten binnenkort echt boodschappen gaan doen, want we beginnen aardig door de voorraad heen te raken.’

Jacco fronst zijn voorhoofd. ‘Ik krijg pas over twee weken uitbetaald en ik wilde eigenlijk voor nieuwe kleding kijken’, zegt hij met een blik op de scheur in zijn spijkerbroek.

Nina kijkt mij aan.

‘Ik heb nog wel wat geld. Ik kan het voor je pakken als je boodschappen wilt doen.’

Nina knikt en ik loop de trap op naar mijn kamer om het geld voor haar te pakken. Ik voel me een beetje bezwaard dat ik het niet eerder heb aangeboden, aangezien ik er als laatste bij ben gekomen en tot nu toe nog nauwelijks heb meebetaald aan de wekelijkse boodschappen. Als ik in de la kijk waar ik mijn geld bewaar, moet ik even slikken. Misschien maar goed dat ik dat boek over draken vanmiddag verkocht heb, want er is niet veel meer van mijn salaris over. Ik pak een paar biljetten en duw de la weer dicht.

Gebrom. Zachter dit keer, maar toch duidelijk te horen. Ik kijk uit mijn raam. Op het weiland aan de overkant lijkt een schim te staan, maar die is te ver weg om hem goed te kunnen zien. Ik huiver en loop snel terug naar de keuken. Jacco is inmiddels naar bed, maar Nina staat nog op me te wachten.

‘Dank je. Ik haal morgen de boodschappen en dan krijg je het wisselgeld van me terug.’ Ze wenst me welterusten en laat me achter in de keuken. Voordat ik de trap weer op ga, haal ik nog snel een doekje over het aanrecht. Het gebrom is opgehouden en als ik uit het raam kijk, is er geen schim te bekennen. Zou ik paranoïde worden?

Ik pak mijn boek en sla het open op de bladzijde waar ik gisteren ben gebleven. Nog even wat lezen voordat ik ga slapen. Morgen heb ik late dienst in de winkel, dus ik kan uitslapen. Na een tijdje werp ik een blik op mijn wekker en zie dat het al kwart voor één is. Wat gaat de tijd toch snel als je een spannend verhaal leest!

Ik kleed me om, poets mijn tanden op de rand van mijn bed en stel met één hand mijn wekker in op half elf. Dan spoel ik mijn mond en doe het licht uit. Ik kruip onder de deken. Wat is het koud vannacht! Ik trek mijn benen op totdat ze mijn kin bijna raken en ril mezelf warm. Ik hoop dat ik vannacht meer slaap dan gisteren, denk ik, terwijl mijn ogen langzaam dichtvallen.

Precies op het moment dat de auto over de kop slaat, gil ik mezelf wakker.

Bloed tegen de autoruit.

Gierende snikken komen uit mijn keel. Ik worstel met de deken om overeind te komen en grijp automatisch naar mijn medaillon. Dat voelt gloeiend heet aan in mijn hand! Geschrokken laat ik het los en snak naar adem, maar veel tijd om er bij stil te staan, krijg ik niet. De deur van mijn kamer klapt open en Nina en Jacco stormen naar binnen.

‘Wat is er aan de hand? Waarom gil je zo?’ vraagt Nina terwijl ze bij me op bed ploft.

‘Nachtmerrie’, mompel ik en ik sla mijn ogen gelaten neer.

Jacco blijft even aarzelend in de deuropening staan maar komt dan ook naast me zitten. Hij en Nina slaan hun armen om me heen en even koester ik me in hun warmte en voel ik me getroost. Dan herinner ik mezelf aan de belofte om niemand dichtbij te laten komen en wurm me los. ‘Niets aan de hand, gewoon een nare droom. Ga maar weer slapen.’

Jacco kijkt me onderzoekend aan. ‘Je weet toch dat je alles bij ons kwijt kan, hè? Wij hebben ook genoeg dingen meegemaakt, hoor! En misschien kunnen we je wel helpen!’

Nina knikt en pakt mijn hand. ‘Waar ging de nachtmerrie over?’

Ik kijk mijn twee huisgenoten aan. Nina met haar rode haar en sproetenkop en Jacco met zijn grote ogen. ‘Het was niets. Ik droomde dat ik achterna werd gezeten door een moordenaar met een bijl.’

Jacco barst in lachen uit. ‘Dat komt natuurlijk door de film van vanavond! Jij kunt niet zo goed tegen enge films zeker?’

‘Dat klopt’, lieg ik.

Nina wrijft over mijn rug en vraagt: ‘Zal ik een kopje thee voor je maken?’

Wat zijn die twee toch verdomd zorgzaam! Ik verzeker haar dat het niet nodig is. Ik zal vannacht echt geen nachtmerrie meer krijgen. Dat weet ik zo zeker omdat ik in geen geval meer in slaap zal vallen. Gerustgesteld verlaten ze mijn kamer nadat ze nog even hebben gezegd dat ik ze gewoon wakker mag maken als er iets is.

Als de deur dichtslaat, laat ik me achterover op mijn kussen vallen en staar naar het plafond. De nachtmerrie over het ongeluk waarbij mijn moeder om het leven is gekomen, heb ik al een tijdje niet meer gehad. Waarom nu ineens weer wel? Mijn hand gaat weer naar het medaillon. Het gloeit nog steeds een beetje, maar is niet meer zo heet als toen ik net wakker werd.

Ik ga rechtop zitten en peuter voor de zoveelste keer aan het slot om te zien of het nu toevallig wel open wil. Nee dus. Ik geef het op en bedenk dat er de afgelopen twee dagen nogal wat vreemde dingen zijn gebeurd. De drakenvorm in het weiland, het brommende geluid, de voetstappen die van niemand bleken te zijn, de schim en nu het gloeiende medaillon. Begin ik mijn verstand te verliezen? Ik ga rechtop zitten en pak mijn boek, maar het blijkt al snel dat ik de concentratie niet kan opbrengen om ook maar één zin te lezen. In mijn hoofd tuimelen mijn gedachten over elkaar heen. Het auto-ongeluk, Helen, het gezinsvervangend tehuis, Dana, Simon, Ted en Tom, de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis, de pleeggezinnen en het kraakpand. In mijn hoofd wisselen ze elkaar zo snel af, dat ik me een beetje duizelig ga voelen. Zou het niet vreemd zijn als ik nu een mentale inzinking zou krijgen? Net nu ik relatief veilig en gelukkig ben? Mijn ogen dwalen naar mijn wekker, tien voor half vijf. Morgen late dienst. Natuurlijk.

 Om kwart over zes houd ik het niet meer uit in bed en gooi de deken van me af. Zachtjes, om de anderen niet wakker te maken, sluip ik op mijn tenen de trap af en ga naar de keuken om een kop thee te maken. Ik wacht tot het water kookt, kijk naar de scheuren in de muur naast de keukenkastjes en probeer mijn gedachten weer enigszins op een rijtje te krijgen. Met mijn thee ga ik aan de tafel in de woonkamer zitten. Ondertussen kijk ik naar de zon die langzaam boven het mistige weiland opkomt.

Om zeven uur komt Nina naar beneden gestommeld. Ze wrijft de slaap uit haar ogen en komt bij me aan tafel zitten. ‘Wat ben jij vroeg op. Heb je geen late dienst vandaag? Of kon je niet meer slapen na de nachtmerrie?’ vraagt ze.

‘Dat laatste, dus geen enge films meer voor mij’, antwoord ik.

Nina glimlacht en vraagt of ik nog een kop thee wil. Ik knik en kijk haar na terwijl ze met mijn beker naar de keuken loopt. Dan richt ik mijn aandacht weer op het raam en zie nog net hoe een grote schim in het niets lijkt te verdwijnen. Ik spring van mijn stoel waarbij mijn knie onzacht met het tafelblad in aanraking komt en slaak een kreet.

‘Wat is er?’ hoor ik Nina vanuit de keuken vragen.

‘Niets, knie gestoten’, roep ik terug en loop naar het raam. Het weiland is leeg. Langzaam schud ik mijn hoofd heen en weer. Ik begin echt waanbeelden te zien. Bezorgd vraag ik me af of het niet beter voor me zou zijn om terug te gaan naar de psychiater die me in het ziekenhuis behandeld heeft na het ongeluk van mijn pleeggezin. Het is eigenlijk best een geschikte vent, behalve dan dat hij me bijna twee maanden heeft vastgehouden in het ziekenhuis om me vervolgens zonder enige nazorg terug te sturen naar het gezinsvervangend tehuis. Tenzij je onder nazorg de ladingen antidepressiva verstaat, die ik meteen in de afvalbak heb gemieterd toen ik de kans kreeg. Achter me komt Nina de woonkamer binnen met twee dampende mokken thee. Ik schuif weer aan tafel en vouw mijn handen om mijn beker.

‘Heb je nog plannen voor vandaag, nu je toch zo vroeg wakker bent?’ vraagt Nina. Ik schud ontkennend mijn hoofd. ‘Misschien zou jij dan vandaag de schoonmaakbeurt willen doen?’ Terwijl ze het vraagt, glimlacht Nina me over haar beker thee heen zo lief mogelijk toe. Ik schiet in de lach.

‘Welja, waarom niet. Ik ben toch een keer aan de beurt.’

Nadat iedereen naar zijn of haar werk is vertrokken, eet ik een boterham. Dan haal ik de schoonmaakspullen tevoorschijn. Het harde werken zorgt ervoor dat er geen nare gedachten door mijn hoofd spoken en na twee en een half uur kijk ik tevreden om me heen. Dat ziet er weer netjes uit! Ik eet nog een boterham en een appel en trek mijn jas aan om naar mijn werk te gaan. Er ontsnapt een vloek aan mijn lippen als ik mijn fiets in de gang zie staan met de nog altijd lekke band. Dat wordt weer lopen.

Ik houd er stevig de pas in, want ik weet dat meneer Bos het niet echt kan waarderen als ik te laat op een late dienst verschijn. Tegen de tijd dat ik bij de winkel aankom, zie ik dat hij al ongeduldig naar buiten staat te kijken. Ik mompel een verontschuldiging en iets over een lekke band en schuif achter de toonbank terwijl mijn baas me gedag wuift en vertrekt om met zijn kleinzoon te gaan vissen. Het verbaast me niets dat ik geen klanten zie als ik de winkel rondkijk en voel me moe als ik bedenk dat we vandaag tot acht uur open zijn. Koopavond. Tuurlijk.

Ik besluit, omdat ik toch al in de “schoonmaak-mood” ben, de toonbank maar eens een sopje te geven en haal de schoonmaakspullen uit de opslagruimte. Als de toonbank gepoetst is, lap ik de ramen en stof de planken af. Dan kijk ik op de klok. Twee uur. O, nee, nog zes uur te gaan! Misschien de inventaris nog maar eens nalopen. Dat duurt gemakkelijk een uur of twee, want voordat de computer is opgestart ben je al een kwartier verder en een pagina laden duurt ook minstens vijf minuten. Het lijkt een goed idee, maar het blijkt al snel dat ik me niet goed op het beeldscherm kan concentreren. Mijn ogen dreigen steeds dicht te vallen. Ik moet vanavond maar eens vroeg naar bed, nadat ik mijn fietsband heb geplakt natuurlijk. De bel van de winkel klingelt om aan te geven dat er een klant binnenkomt en ik kijk op van mijn scherm. Niemand. Het haar in mijn nek gaat overeind staan. ‘Hallo?’ roep ik behoedzaam. ‘Kan ik u ergens mee helpen?’

Geen antwoord. Ik loop om de toonbank heen en kijk of ik iemand achter de boekenkasten zie. Als ik achter in de winkel ben, klingelt de bel opnieuw. Snel loop ik naar voren. Mevrouw Van Malen kijkt zoekend om zich heen. ‘Ah, daar ben je, meisje. Ik vroeg me af of je dat nieuwe boek over katten al binnen hebt waar we het vorige week over hadden.’

Ik beloof haar dat ik even voor haar in de computer ga kijken en pak daarna het gevraagde boek van de plank. ‘Hebt u iemand voor u de winkel in zien gaan, mevrouw Van Malen?’ vraag ik haar terwijl ik het boek afreken.

‘Nee, hoor, meisje, ik was helemaal in mijn eentje’, antwoordt ze. Dan zegt ze me gedag en verlaat de winkel.

Ik kan wel juichen als ik stipt om acht uur de winkel op slot doe. En ik zou het nog doen ook, als ik niet zo moe zou zijn. Nu nog naar huis lopen. Zucht.

Als ik twee straten verder ben, schrik ik van een hond die begint te blaffen wanneer ik langs zijn huis loop. Mijn zenuwen zijn gespannen, ik heb het gevoel dat er iemand naar me kijkt. Mijn voeten gaan als vanzelf sneller lopen en ik kijk steeds over mijn schouder. Daardoor zie ik niet dat er voor me een man uit een portiek stapt en dreigend voor me komt staan. Ik schrik me een ongeluk als hij me plotseling bij mijn arm pakt. ‘Je portemonnee, en snel een beetje’, raspt hij me toe.

Ik slaak een kreet van pijn en probeer me los te rukken. Daarop schudt hij me hard door elkaar. ‘Kappen! Je portemonnee, anders sla ik je verrot!’

Ik stamp hard op zijn voet en weet me uit zijn greep los te rukken. Hij graait naar me en ik zet mijn beide handen tegen zijn borst om hem weg te duwen. Een woeste kracht jaagt door mijn armen en met mijn mond open van verbazing zie ik hoe de man achteruit tegen de muur aan vliegt en er onderaan in elkaar zakt. Verbluft blijf ik even staan. Ik probeer te bedenken wat er in hemelsnaam gebeurd is. Dan begint de man te kreunen en zet ik het op een lopen. Ik blijf rennen tot ik met een klap tegen mijn voordeur tot stilstand kom. Hijgend prop ik met trillende vingers mijn sleutel in het slot, waarna ik bijna over de drempel struikel. Ik knal hard tegen mijn fiets aan en haal een van mijn handen aan de muur open als ik mezelf probeer op te vangen. Met een bonzend hart blijf ik liggen. Wat is er net gebeurd? Wat is er net gebeurd? De zin blijft zichzelf in mijn hoofd herhalen. Voetstappen komen bij mijn hoofd tot stilstand en als ik opkijk, zie ik Jacco over me heen gebogen staan.

‘Wat ben jij nou aan het doen? We schrokken ons een ongeluk! Het leek wel alsof iemand met een stormram naar binnen kwam!’

Ik krabbel overeind en voel mijn gezicht vertrekken.

‘Heb je je pijn gedaan?’

Bezorgd, omdat ik op het punt sta mijn evenwicht te verliezen, pakt Jacco me bij mijn schouder. Ik kijk hem aan en stamel iets over struikelen en dat het donker is in de gang. Jacco pakt mijn hand en ik krimp in elkaar.

‘Daar moet eerst wat ijs op. Kom mee!’

Ik strompel achter hem aan naar de keuken en zie Virola nog net naar de woonkamer glippen. Nina staat tegen het aanrecht geleund. ‘Wat was jij aan het doen?’ begint ze, maar Jacco zegt dat ze opzij moet gaan en een zak ijs uit de vriezer moet pakken, wat ze direct doet.

Ik zuig lucht tussen mijn tanden naar binnen als ik mijn hand in het licht van de keuken zie. Blijkbaar heb ik een spijker aan de muur geraakt, want er zit een behoorlijke jaap in mijn hand waaruit kleine straaltjes bloed sijpelen. Bloed tegen de autoruit. Ik schud met mijn hoofd om die gedachte te verdrijven en voel braaksel achter in mijn keel. Jacco legt ondertussen een handdoek met de ijszak op mijn snel opzwellende hand en Nina zet water op om thee voor ons te maken. Mijn hand brandt onder de handdoek, het zweet loopt over mijn voorhoofd. Nina kijkt me onderzoekend aan en werpt dan een blik naar Jacco, die daar gelijk op reageert. ‘Laten we maar gaan zitten, Jill,voordat je zo dadelijk tegen de vlakte gaat. Je ziet zo wit als een doek.’

Jacco helpt me aan de hand naar de tafel in de woonkamer. Ik vind het voor één keer niet erg om op hem te leunen, want ik voel me inderdaad wiebelig en zó vreselijk moe. Jacco gaat naast me aan de tafel zitten en begint mijn hand te verbinden. Waarom ben ik zo moe? Ik was natuurlijk al moe omdat ik niet veel heb geslapen, maar nu ben ik echt helemaal uitgeput. Zo ver heb ik niet gerend en ik ben nou ook niet bepaald veel bloed verloren. Bloed tegen de autoruit, mijn moeders bloed.

Hou op! Ik wrijf met één hand over mijn ogen alsof ik het beeld dat hardnekkig op mijn netvlies blijft staan, weg kan wrijven. Nina zet een beker thee voor mijn neus en wisselt een bezorgde blik met Jacco. Ik knijp mijn ogen dicht.

‘Gaat het wel, Jill?’ vraagt Nina een beetje benauwd. ‘Wil je dat we een dokter waarschuwen?’ Ik sla mijn ogen op en kijk haar aan. Ze meent het echt.

‘Dat is niet nodig, Nina, het gaat alweer’, zeg ik zonder mijn stem te laten trillen. Nooit geweten dat daar zoveel inspanning voor nodig is. Een opgeluchte blik glijdt over haar gezicht en dat van Jacco. Logisch, we weten immers allemaal wat het betekent als hier dokters komen rondsnuffelen. Vier tieners in een kraakpand zonder toezicht van de maatschappelijke instanties. We zouden weer in gezinsvervangende huizen zitten voordat een van ons “we redden ons prima!” zou kunnen zeggen.

‘Ik ben alleen erg moe, dus ik ga zo naar bed.’ Dan herinner ik me mijn lekke band en kreun.

‘Wat is er?’ roepen Jacco en Nina tegelijkertijd.

‘Ik moet mijn fietsband nog plakken. Die is al een paar dagen lek en ik vergeet het elke keer.’

Jacco kijkt me aan. ‘Waarom heb je dat niet eerder gezegd? Dat kan ik toch even voor je doen? Ga jij maar lekker vroeg naar bed, dan zorg ik wel dat je band geplakt wordt.’

Tranen prikken achter mijn oogleden en ik schenk Jacco een dankbaar en beverig glimlachje. Hoe kan ik deze lieve, zorgzame mensen nou in hemelsnaam op een afstand houden? Ik merk nu al dat vooral Jacco langzaam mijn hart binnensluipt, niet in de laatste plaats vanwege zijn grote bruine ogen die zoveel lijken op de ogen van mijn tweeling. Op de een of andere manier moet ik maken dat ik uit dit kraakpand kom, voordat ik me teveel ga hechten. Nina geeft een klopje op mijn arm als ik opsta om naar mijn kamer te gaan. Niet doen! Ik zeg welterusten en maak dat ik de trap naar mijn kamer op kom, voordat ik echt in tranen uitbarst. Boven in mijn kamer neem ik alleen de moeite om mijn gympen uit te trappen voordat ik me op mijn bed laat vallen. Moe, zo vreselijk moe. Ik sluit mijn ogen en val in slaap als mijn hoofd het kussen raakt.

Advertenties

Over Just Patty

Just Patty is a Dutch author who writes Fantasy and Poetry. She models and photographs and has a curious spirit.
Dit bericht werd geplaatst in Drägan Duma, Zij Die Hoort en getagged met , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s